Vanochtend doen wij rustig aan om vanmiddag terug te gaan naar het
Tibetaanse kamp. Daar bidden wij in de boedistische tempel en praten met een
aardige monnik, een jongeman van 19 jaar. Hij neemt echt de tijd om ons te
vertellen over het leven van Buddha, ook al weet ik er wel van. Hij vraagt mijn
adres om een brief te schrijven. Verder delen wij daar weer snoep uit. De
kinderen hangen bij Margriet om de nek. Ze kan haast geen adem meer halen. Het
zijn net geitjes van de kinderboerderij als ze wat te eten krijgen.
De
eigenaar van ons hotel en zijn vrouw en dochter zijn naar Sarangkot geweest.
Daar kun je de zonsopgang en ondergang zien, maar het was bewolkt en dus zijn ze
voor niks geweest. Het personeel maakt daar grapjes over, want ze betalen niet
zo goed en zijn best wel streng tegen het personeel, maar tegen de gasten zeer
vriendelijk.
Er zijn maar weinig toeristen dit seizoen in Nepal. Daarom
worden bijna alle toeristen die er wel zijn op handen gedragen, want daar
verdienen ze nog wat aan. De mensen die werk hebben, werken hier echt voor
hongerloontjes (voor Nederlandse begrippen), maar ze lijken toch heel gelukkig.
Wij eten ons weer rond bij restaurant Mamma Mia, een paar huizen verderop,
waar we inmiddels vaste gasten zijn.